Een zoektocht naar de menselijkheid van Judas

Eerder publiceerde ik een reflectie onder de titel ‘De spiegel van Judas Iskariot’. In dat artikel probeerde ik Judas niet langer als het eendimensionale monster te zien dat we in de loop der eeuwen van hem hebben gemaakt, maar als een mens van vlees en bloed. Een mens die, net als wij, worstelt met verwachtingen, teleurstellingen en de neiging om de ander te instrumentaliseren voor een eigen plan.

Ik vroeg me af ben ik de enige zo naar Judas kijkt? Wie heeft er eerder in diezelfde duistere spiegel gekeken en wat hebben zij daar gezien? In deze verkenning wil ik dieper graven. Ik ben op zoek gegaan naar andere stemmen uit de psychologie, de literatuur, de filosofie en de theologie: Carl Jung, Fyodor Dostojevski, Søren Kierkegaard, Martin Buber en Hans Urs von Balthasar.

Een poging om te zien waarom Judas’ verhaal niet alleen over een gebeurtenis van tweeduizend jaar geleden gaat, of het afscheiden “kwaad”, maar over de anatomie van de menselijke ziel vandaag de dag.

De Schaduw in de Spiegel: Carl Jung

Mijn eerdere stelling was dat we Judas tot monster maken om onszelf veilig te voelen. Als hij een monster is, dan is hij immers niet zoals wij. Wanneer we echter de psychologie van Carl Gustav Jung erbij pakken, ontdekken we dat deze reflex precies is wat ons ervan weerhoudt om werkelijk menselijk te worden.

Jung introduceerde het concept van de Schaduw: dat deel van onze persoonlijkheid dat we liever niet aan de buitenwereld, en zelfs niet aan onszelf, laten zien. Het bevat onze hebzucht, onze jaloezie, onze lafheid en ja, ook onze neiging tot verraad. Jung leerde ons dat we deze schaduwzijde vaak projecteren op anderen. Door Judas te demoniseren, projecteren we onze eigen ‘innerlijke verrader’ op hem. Zo blijft ons eigen zelfbeeld schoon en rechtvaardig.

Maar Jung waarschuwt ons: zolang we onze schaduw niet herkennen, heeft hij macht over ons. De ‘spiegel’ waar ik over schreef, is in Jungiaanse termen de confrontatie met onze eigen schaduw. Wanneer we Judas menselijk maken, doen we in feite aan schaduwarbeid. We erkennen dat de kiem van verraad in elk menselijk hart aanwezig is.

De vraag die ik me stelde — “Waarom een kus?” — krijgt bij Jung een nog diepere laag. De kus is het symbool van de uiterste aanpassing, de ‘persona’ (het masker) die Judas opzet om zijn schaduw te verbergen terwijl hij zijn daad verricht. De les van Jung is helder: pas wanneer we durven te zeggen “Ik ben Judas”, kunnen we ook werkelijk zeggen “Ik ben een volgeling”. De spiegel is niet bedoeld om ons te veroordelen, maar om ons heel te maken door onze verborgen duisternis in het licht van de waarheid te brengen.

Fyodor Dostojevski en de Ideologie van de Macht

In mijn artikel schreef ik dat Judas een ‘script’ had geschreven voor Jezus. Hij wilde waarschijnlijk een Messias die de Romeinen zou verjagen, een sterke leider. Wanneer Jezus niet aan dat beeld voldeed, werd Hij voor Judas een object dat kon worden ingeruild. Geen enkele schrijver heeft de tragedie van dit ‘script’ scherper verwoord dan Fyodor Dostojevski, met name in het beroemde hoofdstuk ‘De Grootinquisiteur’ uit De Gebroeders Karamazov.

In dit verhaal keert Jezus terug op aarde tijdens de Spaanse Inquisitie. De Grootinquisiteur laat Hem arresteren en legt Hem uit waarom Hij niet welkom is. De Inquisiteur beweert dat de mensheid niet zit te wachten op de vrijheid en de liefde die Jezus brengt; de mensheid wil brood, autoriteit en wonderen. De Inquisiteur heeft, net als Judas, een eigen plan voor het heil van de mensheid, en Jezus’ weigering om macht uit te oefenen staat dat plan in de weg.

Judas is in de visie van Dostojevski de voorloper van deze Inquisiteur. Hij houdt niet van de werkelijke Jezus, maar van het idee van de Messias. Wanneer de werkelijkheid van Jezus — Zijn kwetsbaarheid, Zijn lijden, Zijn focus op het onzichtbare koninkrijk — botst met Judas’ ideologie, kiest Judas voor de ideologie.

Dostojevski leert ons dat verraad vaak begint bij een ‘goede bedoeling’. We willen de wereld redden, we willen orde scheppen, we willen resultaat zien. En in die drift maken we van de levende mens een instrument voor onze idealen. Judas verried Jezus niet omdat hij het kwaad liefhad, maar omdat hij zijn eigen gelijk belangrijker vond dan de Persoon die voor hem stond. De les voor ons is indringend: hoe vaak offeren wij onze naasten op aan de altaarstenen van onze eigen gelijk?

Søren Kierkegaard en de Sprong in het Onbekende

In mijn reflectie noemde ik Judas de de pragmaticus die begon te rekenen. Dit brengt ons bij de Deense filosoof Søren Kierkegaard. Kierkegaard sprak over de ‘ergernis’ (forargelse) die Jezus onvermijdelijk oproept.

Voor de menselijke rede is het idee van een God die mens wordt en kiest voor de dood aan een kruis een absurditeit.

Judas is bij uitstek de man die zich aan Jezus ergert. Hij probeert Jezus te begrijpen met zijn verstand, met zijn logica van dertig zilverstukken en driehonderd penningen voor de parfum. Maar Jezus laat zich niet begrijpen; Hij laat zich alleen navolgen. Kierkegaard stelde dat er een ‘sprong’ nodig is, een overgave die de logica van het verstand achterlaat.

Judas, repentent, returning the pieces of silver *oil on panel *79 x 102.3 cm *signed c.r.: RL. 1629

Judas weigerde die sprong te maken. Hij bleef staan aan de kant van de berekening. Voor Judas werd Jezus een ‘geval’ om te bestuderen, een leraar die geëvalueerd kon worden. Kierkegaard laat ons zien dat zodra wij de religie of onze medemens gaan ‘evalueren’ op basis van nut en logica, we de weg van Judas inslaan. De vriendschap sterft waar de beoordeling begint. De les van Kierkegaard is dat de waarheid niet een object is dat we kunnen bezitten of verkopen, maar een subjectiviteit waarin we onszelf moeten verliezen. Judas wilde de controle behouden, en precies daardoor verloor hij alles.

Van Ik-Het naar Ik-Gij: Martin Buber

De kern van mijn artikel was de verschuiving van mens naar object. Judas maakte van Jezus een instrument voor zijn eigen doelen. Dit raakt aan de essentie van de filosofie van Martin Buber, die in zijn meesterwerk Ik en Gij het fundamentele onderscheid maakte tussen twee manieren van in de wereld staan.

Buber stelt dat we de ander kunnen benaderen als een ‘Het’ (een object dat we observeren, gebruiken en categoriseren) of als een ‘Gij’ (een subject dat we ontmoeten met ons gehele wezen). Het verraad van Judas was de totale overgang van de Ik-Gij relatie naar de Ik-Het relatie. De kus in de tuin was de ultieme uiting van deze objectivering: een symbool van een ‘Gij-ontmoeting’ misbruikt voor een ‘Het-transactie’.

Wat we van Buber kunnen leren, is dat deze neiging tot objectivering diep in ons en onze cultuur geworteld is. We spreken over mensen in termen van hun functies, hun economische waarde of hun politieke kleur. Zodra we dat doen, plegen we een klein verraad. Buber herinnert ons eraan dat God alleen ontmoet kan worden in het ‘Gij’. Judas verloor God niet omdat hij een zonde beging, maar omdat hij de relatie verving door een berekening.

De reactie van Jezus in de tuin — “Vriend” — is volgens de logica van Buber de poging om de Ik-Gij relatie te herstellen. Zelfs op het moment dat Judas Jezus als een ‘Het’ behandelt, blijft Jezus Judas als een ‘Gij’ aanspreken. Dat is de weg die ons wordt getoond: de weigering om de ander tot een object te reduceren, hoe hard ze ons ook kwetsen.

Hans Urs von Balthasar en de liefde van God

Tot slot kom ik bij de theoloog die mij het meest heeft getroost in deze zoektocht: Hans Urs von Balthasar. In zijn werk reflecteert hij diep op de vraag naar het lot van Judas. Waar veel theologen Judas moeiteloos naar de hel hebben verwezen, stelt Balthasar de vraag of de liefde van God niet groter is dan zelfs het diepste verraad.

Balthasar wijst op de gebeurtenissen van Stille Zaterdag, waarop Jezus ‘afdaalt ter helle’. Hij suggereert dat Jezus in Zijn dood de uiterste eenzaamheid van de mens opzoekt — precies de eenzaamheid waarin Judas zich bevond nadat hij de dertig zilverstukken had weggegooid en zich ophing. Voor Balthasar is Jezus de ‘Vriend’ die Judas achterna gaat in de afgrond.

De weigering van Jezus om Judas op te geven, die ik beschreef in mijn artikel, wordt bij Balthasar een kosmisch principe. De liefde van God is niet een passieve afwachting, maar een actieve zoektocht naar het verloren schaap. Judas dacht dat hij een punt achter de relatie had gezet, maar God zet er een komma.

Wat kunnen we hiervan leren? Misschien wel dit: dat de ‘uitweg’ waar ik naar zocht aan het einde van mijn artikel, niet ligt in onze eigen kracht om terug te keren, maar in de weigering van God om ons los te laten. De spiegel van Judas laat ons onze eigen neiging tot wanhoop zien, maar Balthasar wijst ons op de Man die achter ons in de spiegel verschijnt. Hij herinnert ons eraan dat er geen afgrond is die dieper is dan de genade.

Wat kunnen we hiervan leren?

Als ik deze vijf denkers naast mijn eigen reflectie leg, besef ik dat mijn vraag — “Wie denkt er nog meer zo?” — me naar de kern van het menselijk tekort heeft geleid.

Van Jung leren we dat we onze eigen innerlijke Judas moeten durven aankijken in plaats van hem te projecteren op anderen.
Van Dostojevski leren we dat ideologieën en ‘scripts’ de vijanden zijn van de liefde.
Van Kierkegaard leren we dat het verstand zijn grenzen heeft en dat de overgave van het hart de enige weg naar de waarheid is.
Van Buber leren we dat de ander altijd een ‘Gij’ moet blijven en nooit een instrument mag worden.
En van Balthasar leren we dat we nooit, maar dan ook nooit de hoop mogen opgeven, noch voor onszelf, noch voor de ander.

Judas Iskariot blijft een zware naam, en dat is terecht. Maar hij is geen naam die ons doet huiveren van angst voor een monster buiten ons; hij is een naam die ons uitnodigt tot deemoed. Ik ben tot de conclusie gekomen dat het verhaal van Judas niet bedoeld is om een verrader aan te wijzen, maar om ons te waarschuwen voor de kille logica van ons eigen hart.

De werkelijke overwinning op het verraad ligt niet in de veroordeling van Judas, maar in het beantwoorden van Jezus’ vraag: “Vriend, waarvoor ben je gekomen?” In die vraag ligt de erkenning dat we, ondanks al onze scripts, al onze berekeningen en al onze schaduwen, nog steeds gezien worden als een persoon, als een subject, als een mens.

Laten we daarom de dertig zilverstukken van ons oordeel neerleggen en opnieuw leren kijken naar de ander — niet als een object dat moet voldoen aan ons plaatje, maar als een vriendschap die elke dag opnieuw gewonnen wil worden. Dat is de weg van Judas terug naar de menselijkheid, en het is de weg die we allen, met vallen en opstaan, hebben te bewandelen.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *