Gisteren hoorde ik het tragische nieuws over een zelfmoord binnen een ministerie in Den Haag. Het schokkende is: dit was niet de eerste keer dat zoiets gebeurde. Het dwingt ons tot een fundamentele vraag: hoe kan een systeem dat belooft ons naar de top te brengen, ons tegelijkertijd in een dodelijke afgrond storten?
Achter de gevels van politiek Den Haag, in de glazen kantoortorens van de Zuidas en op de hypermoderne campussen van techgiganten voltrekt zich een stille, maar dodelijke tragedie. Ik ben ervan overtuigd dat dit geen incidenten zijn die op zichzelf staan. Talloze eerdere signalen over een zieke werkculturen dwingen ons tot een fundamentele, diepgaande reflectie.
We worden namelijk geconfronteerd met een uiterst ongemakkelijke paradox: hoe kan het dat mensen die, naar alle wereldse maatstaven, de maatschappelijke top hebben bereikt, van binnen een dermate diepe duisternis ervaren dat zij de dood verkiezen boven het leven?
Tegelijkertijd zien we aan de andere kant van het maatschappelijke spectrum een fenomeen dat ontspringt aan exact dezelfde existentiële leegte. Een groeiende groep jongeren – in Japan al decennia bekend als de hikikomori, maar inmiddels een mondiaal verschijnsel – trekt zich volledig terug uit de maatschappij. Zij weigeren simpelweg nog deel te nemen aan de academische en economische ‘ratrace’, sluiten zich op in hun kamers en verliezen zichzelf in apathie.
Wat verbindt de succesvolle topambtenaar die een einde aan zijn leven maakt met de jongere die weigert aan zijn maatschappelijke leven te beginnen? Een nadere beschouwing leert ons dat beide extremen slachtoffer zijn van een cultuur die is verworden tot een meedogenloze prestatiecultus. Wij leven in een samenleving die het transcendente, christelijke mensbeeld heeft ingeruild voor een volstrekt utilitair systeem; een systeem dat mensen uitsluitend nog waardeert op basis van hun economisch of bureaucratisch nut. Dit systeem is al lang geen neutrale werkomgeving meer.
Het is, in de meest letterlijke theologische zin van het woord, een valse religie geworden. En deze afgod eist mensenoffers.
Wanhoop als de instorting van een valse religie
Om de aard van deze tragedie te doorgronden, schieten oppervlakkige verklaringen zoals ‘burn-out’ of ‘werkdruk’ tekort. We moeten afdalen naar het theologische fundament. Binnen de katholieke traditie wordt zelfmoord ten diepste begrepen vanuit de tragedie van de wanhoop (desperatio). De theologische deugd van de Hoop (Spes) is niet het wereldse optimisme dat de omstandigheden zullen verbeteren, maar de absolute, spirituele zekerheid dat ons ultieme geluk en onze rechtvaardiging in God liggen. Thomas van Aquino stelt dat wanhoop de gevaarlijkste van alle zonden is, omdat zij de mens afsnijdt van de bron van redding: men gelooft simpelweg niet meer dat het Goede nog bereikbaar is.
De moderne, seculiere mens waant zich verlicht en religieloos, maar de menselijke natuur is onherroepelijk gericht op aanbidding. Wanneer God uit het publieke en private leven wordt verbannen, stopt de mens niet met geloven; hij verlegt zijn aanbidding naar het aardse. Men projecteert het absolute verlangen naar zingeving, identiteit en redding op eindige, wereldse instituten. Dit is de essentie van afgoderij (idolatrie).
Voor de hoogopgeleide “professional” is de carrière de ultieme afgod geworden. Men zoekt in het werk de rechtvaardiging die men voorheen in de sacramenten vond. Promoties, bonussen en maatschappelijk aanzien fungeren als de tekenen van uitverkiezing. Maar een afgod is een tirannieke en wrede meester. Hij belooft de hemel, maar eist de totale overgave van de ziel. Zolang je de god van het succes dient en presteert, ben je veilig. Echter, wanneer je faalt, of wanneer de afgod besluit dat je niet meer nuttig bent, valt niet alleen je inkomen weg, maar het fundament onder je bestaan. Er resteert slechts een ontologische leegte. Wanhoop is de kille, logische conclusie van een ingestorte afgod.
Historische precedenten: De val van de seculiere goden
In de recente bedrijfsgeschiedenis zagen we een ijzingwekkend voorbeeld van wat utilitaire wanhoop doet in de moderne bedrijfscultuur. Tussen 2008 en 2009 pleegden 35 werknemers van het Franse telecombedrijf France Télécom (nu Orange) zelfmoord. Uit later strafrechtelijk onderzoek bleek dat het management een bewuste, agressieve herstructureringsstrategie had toegepast, ontworpen om werknemers dusdanig te marginaliseren en psychologisch onder druk te zetten dat zij vrijwillig ontslag zouden nemen. Werknemers werden op absurde zijsporen gezet of kregen onmogelijke taken. Het verlies van hun professionele waardigheid binnen het systeem leidde direct tot de dood. Het bedrijf fungeerde als een zielloze machine die menselijk kapitaal vermorzelde.
Om de absurditeit van onze eigen prestatiemaatschappij in te zien, is het nuttig om naar culturen te kijken die van oudsher geen concept hebben van de Imago Dei (de mens als beelddrager van God), en waar de waarde van een individu volledig afhangt van diens maatschappelijke nut.
Kijk naar Japan, en de historische traditie van de samoerai. Wanneer een samoerai faalde in zijn plicht of zijn meester verloor (en daarmee een ronin werd), restte hem vaak maar één legitieme uitweg: seppuku of harakiri, rituele zelfmoord door ontweiding. De religie van deze strijders was absolute, feodale loyaliteit (Bushido). Buiten die functionele rol hadden zij geen onafhankelijke menselijke waarde. Geen nut voor het systeem betekende geen recht op leven.
In het hedendaagse Zuid-Korea zien we de gemoderniseerde, bureaucratische variant hiervan. Zuid-Korea kampt met de hoogste zelfmoordcijfers onder de OESO-landen, in grote mate gedreven door de prestatiedruk onder jongeren. Het Zuid-Koreaanse leven is gecentreerd rondom de Suneung, het nationale, acht uur durende toelatingsexamen voor de universiteit. Dit examen dicteert naar welke universiteit je gaat, welk bedrijf je aanneemt en zelfs met wie je kunt trouwen. Het is het seculiere Laatste Oordeel. Faalt een tiener voor dit examen, dan wordt dit niet gezien als een tegenslag, maar als definitieve verbanning uit de heilsorde van de samenleving.
De tragische ironie is dat wij in het Westen een corporate cultuur hebben gebouwd die in de kern identiek functioneert. De rituele zelfmoord van de samoerai is vervangen door een stilzwijgende depressie in een Haags appartement. Het gesloten eersysteem is verpakt in jargon als ’targets’, ‘benchmarks’, en ‘performance reviews’. De onderliggende theologie blijft onveranderd: je bent wat je produceert, en als je stopt met produceren, vervalt je bestaansrecht.
De systeemfout: Van geestelijke vorming naar fabriek
Hoe zijn we in dit ontmenselijkende paradigma beland? Deze cultuur is geen ongelukkig toeval, maar het resultaat van een structurele ontwerpfout die sinds de negentiende eeuw diep in onze samenleving is geworteld, beginnend bij het onderwijs.
Vóór 1850 werd het klassieke en katholieke onderwijs in Europa gedreven door het ideaal van Bildung en geestelijke vorming. Centraal stond de ontwikkeling van de menselijke ziel in relatie tot de Schepper. Men bestudeerde het Trivium (grammatica, logica, retorica) en het Quadrivium, las de klassieken, theologie en filosofie. Het doel van onderwijs was niet het afleveren van een economisch productiemiddel, maar het cultiveren van wijsheid, deugdzaamheid en het leren kennen van de Waarheid.
Met de komst van de Industriële Revolutie ontstond een volstrekt andere behoefte. Het opkomende Pruisische onderwijsmodel – dat in rap tempo door de rest van de westerse wereld werd overgenomen – was ontworpen om de massa te disciplineren voor de fabriek en de natiestaat. Er was geen behoefte aan theologische denkers; de economie vroeg om gehoorzame arbeiders, stipte klerken en berekenende ingenieurs.
Het onderwijs werd hervormd naar het evenbeeld van de fabriek. De lesklok simuleerde de fabriekstoeter. Kinderen werden vanaf hun vroegste jeugd geclassificeerd op basis van gestandaardiseerde toetsen, gesorteerd op leeftijd en beoordeeld met een rigide cijfersysteem. Het curriculum verschoof drastisch richting de exacte en technische wetenschappen; vakken die cruciaal waren voor industriële en economische output.
Dit utilitaire model domineert ons leven nog steeds. Vanaf de eerste Cito-toets wordt een kind één dwingende boodschap ingeprent: jouw waarde ten opzichte van je naaste wordt bepaald door je intellectuele en economische potentieel. De moderne term Human Resources (Menselijke Hulpbronnen) is de meest cynische, doch eerlijke samenvatting van dit wereldbeeld: de mens is niet langer een doel op zich, maar een grondstof die moet worden geëxploiteerd voor bedrijfswinst en economische groei.
De excommunicatie van de succesvolle professional
Dit systeem is vernietigend voor degenen die vroegtijdig uitvallen. Maar de meest verraderlijke wreedheid is gereserveerd voor hen die er excelleren.
Beschouw de levensloop van de succesvolle “professional” bij een toporganisatie. Hun jeugd is een aaneenschakeling van academische triomfen: het gymnasium met lof, een dubbele masteropleiding, bestuursjaren en prestigieuze stages. Jarenlang worden zij door ouders, docenten en de maatschappij bewierookt. Zij verkeren in de stellige overtuiging dat zij tot de ‘uitverkorenen’ behoren. Hun volledige identiteit en gevoel van eigenwaarde versmelten met hun cv. Zolang zij blijven presteren, beloont hun seculiere religie hen royaal met salarisverhogingen, aanzien en invloed.
Maar in deze theologie van de prestatie schuilt een onontkoombare valstrik. Wat gebeurt er wanneer het de weg niet meer omhoog loopt, of wanneer er reorganisaties zijn of een conflict met een manager? Bedrijven en ministeries kennen geen loyaliteit aan de ziel. Zodra de werknemer zijn grenzen bereikt, of voorbijgestreefd wordt door een jongere en goedkopere generatie, slaat het systeem meedogenloos toe.
Men wordt niet altijd direct ontslagen, maar gemarginaliseerd. Men wordt verplaatst naar een klankbordgroep, krijgt een adviserende rol zonder mandaat, of belandt in wat antropoloog David Graeber treffend een bullshit job noemde: een functie zonder enige intrinsieke waarde of betekenis.
Voor iemand wiens zielsfundament rust op het gevoel van onmisbaarheid, is dit een catastrofe. Dit is in theologische termen een excommunicatie. De god van hun leven – het instituut waaraan zij hun huwelijken, hun gezondheid en hun nachtrust hebben geofferd – ontmaskert hen plotseling als vervangbaar. Wanneer de wierook van het succes optrekt, openbaart zich een peilloze leegte. Wie ben ik, als ik niets meer ‘oplever’? Omdat dit systeem nooit heeft toegestaan dat zij een identiteit cultiveerden los van hun economische output, stort hun wereldbeeld ineen. In deze absolute leegte vat de wanhoop vlam, een wanhoop die in de meest donkere nachten leidt tot de overtuiging dat het leven zelf zijn bestaansrecht heeft verloren.
Het Kruis als antwoord op de afgoderij
Dit is het gezicht van een wereld die God heeft ingeruild voor een systeem. We hebben een gigantische maatschappelijke vleesmolen gebouwd, draaiend op de illusie van controle en de waan van eindeloze groei. Deze prestatiemaatschappij heeft geen antwoord op zwakte, op ouderdom, op falen of op ziekte. Zij kan de gebrokenheid alleen maar verbergen of uitstoten.
Hoe ontsnappen we aan deze existentiële wurggreep? Het antwoord is zo oud als de Kerk, maar vandaag de dag radicaler dan ooit.
We moeten terug naar het Kruis.
Als we de moderne carrièrecultus contrasteren met het katholieke geloof, zien we de meest wezenlijke botsing van mensbeelden. De seculiere wereld straft zwakte af met sociale en existentiële dood. Maar het fundament van ons geloof rust op Jezus Christus aan het Kruis.
In de ogen van de wereld was de kruisdood het summum van falen. Christus was ontdaan van elke wereldse macht, status en productiviteit. In de termen van onze tijd was Zijn missie geëindigd in een rampzalige performance review; Hij was de ultieme verliezer van de maatschappelijke orde. Maar precies dáár – in die staat van opperste kwetsbaarheid – vond de grootste overwinning uit de geschiedenis plaats.
Het Kruis is de ultieme paradox die de leugens van elke prestatiereligie ontmaskert: falen in de ogen van de wereld is niet het einde van je goddelijke waarde, maar vaak juist de plaats waar genade begint. Het enige werkelijke antidotum tegen de moordende afgod van het succes is de herontdekking van onze Imago Dei. We moeten de absolute waarheid opnieuw centraal stellen: onze waarde is ononderhandelbaar. De waardigheid van de mens is onafhankelijk van een academische titel, de evaluatie van een superieur, of het salaris dat wordt overgemaakt. Jouw waarde stond al vast voor de grondlegging van de wereld, simpelweg omdat je gewild, geschapen en oneindig geliefd bent door God Zelf.
De uitweg uit dit tranendal vereist geen bedrijfscoaches of mindfulness-trainingen op de werkvloer. De uitweg eist een breuk met de afgod. Het vergt de moed om het altaar van het wereldse aanzien te verlaten en ons over te geven aan de zekerheid dat wij uiteindelijk niet thuishoren in de fabriek, noch op het ministerie, maar in het huis van onze Vader.

Geef een reactie